De week van het brilletje

Je kon je er deze week maar moeilijk voor verstoppen. Nochtans demonstreerde ze zelf nogal opzichtig hoe het wél kon, jezelf voor een tijdje onzichtbaar maken. Al is dat wellicht net iets makkelijker wanneer je ook zelf het onderwerp bent waarover iedereen het wil hebben en waar iedereen letterlijk en figuurlijk naar uitkeek. De gesprekken over het langverwachte natuurfenomeen, de bijna volledige zonsverduistering, waren deze week overal. Op je radio, in de krant, bij de collega’s aan het koffieapparaat. Iedereen had het gezien. Iedereen had naar boven gekeken. Of op zijn minst toch zij die een eclipsbrilletje hadden weten te bemachtigen. Want wie naar de zon wou kijken, moest er eerst voor zorgen dat hij of zij er eigenlijk net iets minder van zag.
 
Zelf was ik niet bij de gelukkigen die zo’n brilletje ter beschikking hadden op het juiste moment. Ik heb er dan ook, eerlijk toegegeven, bijzonder weinig moeite voor gedaan om er eentje in handen – of beter, op mijn neus – te krijgen. Misschien omdat ik elke dag al met een bril rondloop en zo’n eclipsbril over je dagelijkse bril aandoen nogal een gedoe en weinig modieus leek? Mogelijks. Als je alle dagen van het jaar aan het brillen bent, is het wellicht begrijpelijk dat het enthousiasme rond dat extra paar ogen al eens durft verduisteren.
 
Bij de tweejarige peuter die thuis inwoont, lijkt dat enthousiasme daarentegen nooit echt te verdwijnen. Dat blijkt haast iedere ochtend zodra ze opmerkt dat haar vader nog in pyjama is en bijgevolg zijn venster op haar wereld ook nog niet in stelling heeft. De zoektocht naar papa’s brilletje, dat gedurende de nacht nochtans steeds op dezelfde plek ligt, maakt haast deel uit van ons ochtendlijke ritueel. Ergens tussen de ochtendbegroetingen en de pipi-op-het-potje wordt er enthousiast gezocht naar een “mooi brilletje” dat dringend aan zijn dagtaak moet beginnen. Ik geef toe dat ik het graag laat gebeuren, en dat het me charmeert dat ze zo begaan is met het zicht van haar vader. Alsof ze werkelijk gelooft dat ik zonder het hulpmiddel hulpeloos door het huis zou dwalen en ze dat niet mag laten gebeuren. Ze beseft het nog niet, maar dankzij dit soort kleine gebaren heeft de weg naar mijn vaderhart alvast geen brilletje nodig om gevonden te worden.
 
Haar overtuiging dat ik zonder bril nauwelijks iets kan zien legt haar trouwens strategisch ook geen windeieren. Want hetzelfde meisje dat ’s ochtends kost wat kost wil dat haar vader haar kan zien, onderneemt regelmatig later die dag even enthousiaste pogingen om mij dat zicht weer tijdelijk af te nemen. Weinig verrassend vinden die pogingen doorgaans plaats op momenten dat ze het even gehad heeft met haar vader, of wanneer ze vindt dat een vorm van tijdelijke blindheid bij hem wel gepast lijkt. Zoals ze ’s ochtends bepaalt dat het brilletje aan het werk moet, bepaalt ze ook wanneer het weer eens een pauze verdient. Doorgaans is dat vlak voor bedtijd, wanneer er opgeruimd moet worden of wanneer dat laatste koekje eigenlijk het voorlaatste zou moeten zijn. Dat mijn kortstondige handicap dan ook gepaard gaat met selectieve doofheid langs haar kant, zal louter toeval zijn.
 
Misschien is het net goed dat het zicht soms even verdwijnt, of dat het licht tijdelijk eens wat minder schijnt. Er schuilt misschien zelfs een bepaalde rust in het feit dat niet alles altijd zichtbaar hoeft te zijn. Een rust die ik stiekem ook vind in die momenten van gedwongen blindheid. Het is een spel waarvan we allebei de regels kennen, al bepaalt zij doorgaans wanneer we het spelen. Misschien was dat afgelopen woensdag niet eens zo anders. Heel even stopten we met waarmee we bezig waren om allen naar hetzelfde te kijken. Niet ondanks het feit dat het licht even verdween. Maar net daarom. We hebben de neiging om alles wat ons licht in de weg staat zo snel mogelijk weg te willen halen. Nochtans kan een eclips pas ontstaan als er even iets tussen de zon en ons in schuift. Afgelopen woensdag was dat de maan. En thuis ontfermt een peuter met bovengemiddelde belangstelling voor brilletjes zich blijkbaar over die rol. Zonder al te veel overleg en voornamelijk volgens haar eigen planning doet ze mijn licht aan en uit. Misschien is dat niet eens zo’n slechte regeling. Zelfs de zon mag af en toe eens verdwijnen.