De kamer van mijn zus

Het was een zondagavond en ik zat op het bed in de kamer van mijn zus. Ik hoor hoe het klinkt, namelijk als een vreemde flashback naar jaren geleden, maar dat is het niet. Dit was nu. Dit was het heden. Of toch het heden van ongeveer een maand geleden. Want wat ooit de kamer van mijn zus was, werd na haar vertrek uit het ouderlijke huis een slaapkamer voor de volgende generatie. Het werd de kamer waarin we de meisjes van nu, onze eigen dochters, te slapen leggen wanneer ze bij hun grootouders logeren. De voorbije jaren heb ik hier regelmatig op een zondagavond in deze kamer gezeten, terwijl ik verhaaltjes voorlas aan het meisje dat de dag nadien haar week vrolijk mocht inzetten bij een stel lieve grootouders.

Het was tijdens één van onze laatste voorleessessies dat ik de kamer begon rond te kijken en me de originele opstelling voor de geest probeerde te halen. Het hemelbed centraal onder het dakraam. Een klassiek bureaumeubel met grote schuiven in de hoek van de muur die grensde aan mijn kamer. Met boven het bureau een langwerpig schap, bedoeld voor boeken, maar waarop alles buiten boeken verzameld werd. Tegen één van de andere muren stond dan weer een groen geschilderde kleerkast die nooit groot genoeg zou blijken. En boven de deur van de kamer hing er lange tijd een soort decoratieve deurbel, zo’n windgong met langwerpige buisjes die zacht begonnen te rinkelen zodra ze in beweging kwamen. Bij mezelf deed dit alles pas relatief laat de belletjes rinkelen, aangezien er van deze oorspronkelijke kamer nog maar weinig terug te vinden was. Ik moest diep graven in mijn geheugen om de vroegere indeling terug boven te halen, wat geen sinecure blijkt als je je ondertussen ook nog probeert te concentreren op een verhaaltje over Musti – ken je hem nog? – die weer eens iets geks had meegemaakt.

Al voorlezend bedacht ik me dat Musti wel eens het best bewaarde fossiel uit deze kamer zou kunnen zijn. Een soort eeuwige overblijver, in tegenstelling tot de mettertijd verdwenen meubelstukken. Tot, tussen twee Musti-passages door, mijn focus veranderde en daarbij mijn blik even afdwaalde van het boek richting een andere hoek van de kamer. Daar stond in volle glorie, bestand tegen de tand des tijds, de vertrouwde, keramieken lavabo met bijhorende spiegel. In mijn herinnering zijn ze sinds dag één een onafscheidelijk duo, lavabo en spiegel, en hebben ze al ontelbare ochtend- en avondgezichten moeten aanschouwen en opfrissen. Hoewel ze vandaag grotendeels oude gedienden op rust zijn, lijken ze ieder moment weer in staat te zijn hun functies terug op te nemen.

Waar de lavabo een typisch klassieke, witte uitgave is die ongetwijfeld nog jaren zal meegaan, is de spiegel daarentegen een minder traditioneel exemplaar. Maar wel eentje met een tijdloze boodschap. Op het houten frame rondom het glas staan immers een paar korte zinnen geschreven: “Oh, wat ben je mooi.” en “Dat heb ik in jaren niet gezien. Zo mooi, zo mooi.” Sierlijk geschreven zinnen, al even mooi als de boodschap zelf, prachtig omringd door een illustratie van een meisje met een kroon, wat van haar overduidelijk een prinses maakt. De prinses naast me op het bed heeft ondertussen door dat ik niet helemaal meer bij de Musti-les ben, en vraagt waar ik naar kijk. “Naar vroeger” zou een logisch antwoord geweest zijn, maar daar was ik eigenlijk niet meer zo zeker van. In plaats daarvan antwoordde ik dan maar met de woorden op de spiegel, die ik luidop aan haar voorlas. In haar heerlijk eerlijke kleuterlogica, en wellicht in een poging om snel de aandacht terug naar het verhaal te brengen, antwoordt ze bevestigend dat ze inderdaad mooi is. De snelheid en zekerheid van haar antwoord stelde mij dan weer gerust: in deze kamer vonden nog steeds eerlijke gesprekken plaats.

De kamer van mijn zus werd zo namelijk weer meer dan een louter nostalgische herinnering. Want de kamer waar ooit een broer en een zus eerlijke doch lichtjes naïeve gesprekken over het tienerleven voerden, werd de voorbije jaren de kamer waar regelmatig een vader aan zijn dochter boekjes zat voor te lezen op een zondagavond. Waar ik initieel dacht de kamer van mijn zus verdwenen was, besefte ik gaandeweg dat ze eigenlijk nog bestaat. De herinnering dreigt misschien te vervagen, maar het gevoel van de kamer blijft ontegensprekelijk bewaard. En daarvoor zijn blijkbaar weinig meubelstukken nodig. Laat ons zeggen dat een spiegel volstaat.

Een maand later is het opnieuw zondagavond. Alleen zit ik niet meer op het bed in de kamer van mijn zus. Het is eind september en onze bijna driejarige kleuter is ondertussen een maand ver in een schoolcarrière die nog ontelbaar veel maanden op de planning heeft. Zonder dat we er ons echt bewust van waren, is met de start van deze nieuwe levensfase ons zondagavondritueel veranderd. Voor we het goed en wel beseften, was de avond met Musti de laatste in een lange reeks zondagavonden zoals we die kenden. Maandag werd een schooldag, en het leven schoof daarmee een vakje op. Dat is mooi. “Zo mooi, zo mooi”, zou een welbepaalde spiegel ons zeggen. En hoewel we de zinnen op die spiegel voortaan niet meer wekelijks zullen lezen, is dat misschien niet zo erg. Zolang ze haar antwoord maar onthoudt.

Plaats een reactie