Er hangt een poster in mijn kamer. Een poster die er al hangt sinds de maand mei van het jaar 2003. Correctie: hij heeft ooit eens een paar meter meer naar links gehangen, en dan weer een paar meter meer naar rechts. Naar boven en onder is hij ook wel eens verplaatst, maar het feit blijft dat hij al twaalf jaar lang op één van de muren hangt die nog steeds de kamer vormen waar mijn bed staat.
Twaalf jaar. Als ikzelf vijfentwintig lentes tel, dan betekent dit dat ik al de helft van mijn leven haast elke dag naar diezelfde poster kijk. Een grote, goddelijke poster waarop bovenaan, in rode met wit omrande letters “BRUCE SPRINGSTEEN” gebruld staat, in een typografie waarvan ik sterk vermoed dat het om Comic Sans MS gaat. De rest van de poster toont deze gitaarheld tijdens zijn jonge en minder jonge jaren, steeds omringd door eenzelfde gloed van glorie. Twaalf jaar na het drukken van die poster vraag ik mij af hoe ze hem vandaag zouden afbeelden. En of ik dan even hard onder de indruk zou zijn als in 2003, toen ik hem als verrassing overhandigd kreeg uit de handen van mijn vader. De poster van Bruce was een cadeau. Een troostprijs eigenlijk, omdat ik het toenmalige concert in het Koning Boudewijnstadion niet kon bijwonen. Sindsdien is hij nog één keer bij ons gepasseerd, op Werchter Classic, maar ook dat optreden heb ik niet live bijgewoond. Waarom, dat weet ik niet meer. Maar ik vrees dat elke reden nu als een excuus zou klinken, en door mij persoonlijk als “zwak” gecategoriseerd zou worden. Besef doet altijd een beetje pijn als het wat later komt.
Het is trouwens via mijn vader dat de liefde voor het werk van Bruce gegroeid is. Onbewust doorgegeven van vader op zoon, zoals dat nu eenmaal gaat met bepaalde zaken. Ik was een jaar of tien toen ik het eerste cd-spelertje introduceerde in mijn kamer, maar omdat ik liever niet naar de Britney Spears’ of Spice Girls’ singles van mijn jongere zusje wou luisteren, ging ik in huis op zoek naar muziek die beter zou passen bij mijn toenmalige stoere jongensimago. In de muziekcollectie des huizes vond ik een ‘Greatest Hits’ cd met op de cover een rockende krullenbol in lederen vest en een elektrische gitaar nonchalant rond de linkerschouder. Die kon ik wel even lenen, dacht ik toen. Naïef, weet ik nu. Want de rockende krullenbol werd een persoonlijke held en die cd zou tot nader order mijn kamer niet meer verlaten. Toen de ‘Greatest Hits’ enkele jaren later ook nog eens een prominentere plaats kregen in mijn kamer, onder de vorm van een grote, meteen in het oog springende poster, werd duidelijk dat dit een liefde voor het leven zou worden.
Doorheen de jaren is Bruce een constante geworden. Een blijver. Een ietwat vreemde vorm van gezelschap. Met enige zin voor overdrijving durf ik beweren dat er geen week voorbijgaat zonder dat ik naar één van zijn nummers geluisterd heb. En de kans is dan heel groot dat het om ‘Born To Run’ gaat, niet toevallig het allereerste nummer op die ‘Greatest Hits’ cd. Want is het niet zo dat we de eerste nummers van een cd het beste kennen? Ik ontdekte dat Bruce ‘Born To Run’ schreef toen hij 24 jaar oud was, en dat het gelijknamige album op zijn 25ste tot zijn grote internationale doorbraak zou leiden. Niet zomaar één van de nummers uit zijn indrukwekkende repertoire dus, maar eentje dat misschien nog meer betekenis heeft dan alle anderen. Eentje waarin vragen worden gesteld die ook de meeste twintigers van vandaag, veertig jaar na schrijfdatum, bezighouden. Eentje waarvan Bruce zelf aangeeft de antwoorden op die vragen nog steeds niet gevonden te hebben.
Op 25 augustus vierde de wereld de 40ste verjaardag van het album ‘Born To Run’. Voor mensen van mijn generatie, die bewuste twintigers van vandaag, lijkt veertig nog onnoemelijk ver weg. Dat we de antwoorden op de vragen uit ‘Born To Run’ nog niet allemaal kennen, lijkt me logisch. En als dat binnen veertig jaar nog steeds het geval zou zijn, zoals bij Bruce zelf, dan nog is dat geen probleem. Dan hebben we tijdens onze zoektocht tenminste het aangename gezelschap gehad van een legendarische Greatest Hit, die in specifieke gevallen vergezeld wordt van een grote, goddelijke poster. Twaalf jaar – and counting.
“…
Someday girl I don’t know when
We’re gonna get to that place
Where we really want to go
And we’ll walk in the sun
But till then tramps like us
Baby we were born to run.”